’t was woest en zij was woest wie woester?
als je mijn parel breekt doe ’t goed zei zij
de woestenij bezon zich enige tijd
maar verpoeierde de parel op het laatst

nu kon zij niet meer praten of was uitgepraat
het woeste paarelpoeder op haar tanden
maar lachte : hoe de vreugde smart verdraagt
slechts als zij aan elkaar verbranden

woest als een vuur maar nat waren haar lippen
waar het parelstof op kleefde
hij vroeg de woestenij – en niet vergeefs

zij was zijn eigen rib –
en zij gaf ’t antwoord bevend
woestenij is ook maar een begrip