Walter


Hij was een man die zó verlicht was
dat hij verhalen ophing
als vers gestreken gesteven gordijnen
Als hij van het loodkoord vertelde
vóelde je je daag’lijkse zorgen verdwijnen
Hij zong epen en oden als de krakende bliksem
Ratten en muizen bezwijmden
en kwispelden hun staarten om zijn fantastische dictie
Als hij zweeg wilde je enkel nog huilen
Salamanders en tijgers sloten hun muilen
als hij sprak, daar er niets aan ontbrak
Zijn hex- en pentameters smaakten beter dan eten
Wat je hoorde van hem, kon je nooit meer vergeten
Toen hij stierf, was ’t de kluit om het even
Ze hadden de hele ratsmodee opgeschreven